07-01-13

MOZAIEK KANARIES

 


geelmozaiek koppel


 

HET ONTSTAAN EN DE ONTWIKKELING:

Deze is ontstaan door het inkweken van de Kapoetsensijs, zover ik heb kunnen vernemen is deze ontstaan in ± 1942. Verdere uitbouw door een zeer strenge selectie op de vrouwelijke kleurkenmerken van de Kapoetsensijspop en de pop van de kanarie. Men kan dus duidelijk spreken van geslachtsdimorfisme.Zoals gezegd heeft men door strenge selectie in de loop der jaren het mozaïekpatroon in de kanarievogel vastgezet door een omkering van de verdeling van de lipochroom kleur in de pluimen. Uitgezonderd bij de typische mozaïekpatronen (dus de plaats waar de lipochroomkleur zich bevindt) werd de vetstofkleur naar de basis van de pluimen terug gedrongen, zodat er wit aan de buitenkant van de pluimen zichtbaar werd.Natuurlijk waren er in de beginjaren bij deze vogels veel fouten. De grote opmars begon ± 1970. Men kwam in die periode ook tot de vaststelling dat de mozaïek "geslachtsgebonden vererft" met een intermediair karakter. Met andere woorden: de mozaïekkenmerken vererven geslachtsgebonden, maar enkele factoren oefenen hun invloed uit om het patroon goed tot uiting te brengen. Het mozaïekpatroon kan alleen maar zichtbaar zijn bij een NIET INTENSIEVE VOGEL! (Dus een schimmelvogel).

Het mozaïekpatroon word belet door de:

a. INTENSIEFFACTOR.

b. DOMINANT WITFACTOR.

c. RESESSIEF WIT FACTOR.

Vele vaststellingen in de loop der jaren ‘70 werden ontdekt en op papier gezet. Vele jaren was men ook in de veronderstelling dat allen de mozaïekpop een TT vogel was. Ook dat is men in de loop der jaren gaan inzien dat dit niet het geval was.Men kwam, op verschillende plaatsen tot de ontdekking dat de mozaïekman een eigen verschijningsvorm heeft. Men kwam gezamenlijk tot de volgende onderscheidingen:

1. Mozaïekpop ofwel Type I genoemd.

2. Mozaïekman ofwel Type II genoemd.

Over deze types kom ik nog terug in een apart stukje.

Vele jaren werd de mozaïekfactor gekweekt in de vetstofreeks. De laatste jaren werd het type ook veel gekweekt in de pigmentserie, ook hier ontstonden mooie vogels. Door toedoen van vele liefhebbers en door de invoering van de speciaalclubs is de mozaïek in de laatste jaren erg in opmars. Het is een moeilijke vogel, maar de laatste jaren is bewezen dat er ook prachtvogels uit te kweken zijn. Een nieuwe uitdaging, voor vele kwekers, inrichters en keurmeesters om deze vogel te kweken en op tentoonstelling te krijgen. En aan de heren keurmeesters om deze op hun waarde en moeilijkheidsfactor te beoordelen.Er is voor ons allen nog veel werk voor de boeg. De mozaïekkanarie verdient het, laten we daarom met ons allen meewerken om deze vogel te leren waarderen!

KENMERKEN MOZAIEKPOP - TYPE I (zie tekening)

Deze draagt vier specifieke kenmerken van kleurtekening in hoofdzakelijk witte veervelden. Deze moeten duidelijk en scherp afgelijnd zijn, o.a.:

a/ KOPTEKENING, OOGSTREEP EN OF KEELVLEKKEN AAN BEIDE ZIJDEN VAN

DE KOP.

b/ SCHOUDERVLEK (goed doorgekleurd)

c/ DE BORSTVLEK (zo klein mogelijk)

d/ DE STUITVLEK (goed doorgekleurd)

KENMERKEN MOZAIEKMAN - TYPE-II (zie tekening)

a/ EEN DOORGEKLEIJRDE VOORKOP (- ofwel het puttermasker)

b/ SCHOUDERVLEK (goed doorgekleurd)

c/ DE BORSTVLEK die veel groter is dan bij de pop, de kleur moet vrij zijn van de hals en de flanken.

d/ EEN GEKLEURD STUITKUSSEN.

Uiteraard kan deze tekening zijn in de gele of rode vetstofkleur. (Met de ivoorfactor erin wil ik afraden, ook al zijn hier andere meningen over?)

NB. Bij de pop Type I zal de borstvlek zwak doorschijnen en niet te groot zijn, en ten hoogte van het borstbeen.Bij de man Type II moet de schouder, borst en stuittekening ruimer zijn dan bij Type I.Echter de borstvlek zal goed gescheiden moeten zijn van het masker en de flanken.Het type I zal keelstippen kunnen bezitten. Een mozaïek zonder of met weinig keelstippen kan toch hoog gewaardeerd worden. Een mozaïek van goede tekening en kleur met eelstippen zal echter altijd de voorkeur moeten krijgen.

LET WEL. Bij de vetstofmozaïek kanarie zowel bij de man als bij de pop, moeten de vleugel- en staartpennen zo wit mogelijk zijn!

FOUTEN BIJ DE VETSTOFMOZAIEKEN:

DE POP TYPE I

1/ vetstofkleur boven de snavel.

2/ vetstofkleur op het rugdek.

3/ rode kleur om de ogen, geen oogstrepen.

4/ borst te fel en te diep doorgekleurd, en te groot.

5/ geen stuitkleur – keelvlekken.

6/ gekleurde vleugel- of staartpennen.

7/ schoudertekening loopt te ver door

DE MAN TYPE II:

1/ onderbroken masker, te groot of niet goed afgelijnd.

2/ borstvlek aansluitend op masker en flanken.

3/ stuitkleur niet goed doorgekleurd.

4/ ontbreken van helderheid tussen de vetstofkleur van de rug en van de schouders.

5/ schoudertekening loopt te ver door in vleugelpennen.

6/ vetstofkleur loopt door tot in de staartpennen.

7/ mozaïek tekening niet symmetrisch.

Uiteraard kan men deze mozaïektekening in de gele of rode kleur ook in de pigmentreeks kweken. Men kan dan niet meer spreken van de witte veervelden.De gepigmenteerde mozaïek zal altijd een zgn. ZILVERSLUIER LATEN ZIEN.Deze zilversluier komt het best tot zijn recht bij de mozaïeken in de Agaat of Groen serie.

DE GEPIGMENTEERDE MOZAIEK:

Als eerste eis zal men altijd moeten stellen: HET MOZAIEKPATROON.

De eisen van het pigment komt op de tweede plaats. De mozaïektekening ontstaat door de vetstofgekleurde veervelden en de veervelden die gepigmenteerd zijn. De mozaïektekening moet duidelijk en scherp waarneembaar zijn, en aan beide zijden volkomen gelijk zijn. De pigmenttekening moet gelijk zijn aan de eisen van de vogel zonder de mozaïektekening.

GEPIGMENTEERDE MOZAIEKEN ZULLEN IN HET ALGEMEEN IN MEER OF MINDERE MATE EEN WITTE BROEK LATEN ZIEN EN DE ZILVERSLUIER, dan bij dezelfde soort vogel zonder de mozaïekfactor. In de Agaatreeks zal de zilversluier het meest waarneembaar zijn en ook in de Zwartserie.

De broek moet dus wit zijn en doorlopen tot tegen het lichaam, waar de poot zich bevindt. Ook in de pigmentserie onderscheidt men weer type I en type II.

VOORKOMENDE FOUTEN IN DE PIGMENTREEKS:

1/ ontbreken van zilversluier.

2/ pigmentfouten – onsymmetrisch.

3/ verdere fouten beschreven in de vetstofreeks type I + II.

MOZAIEK KANARIE TYPE I (POP)

MOZAIEK KANARIE TYPE II (MAN)

BESCHRIJVING TYPE I (POP)

DE KOPTEKENING:

De kop vertoont aan beide zijden, juist boven beide ogen, een smal, scherp en goed doorgekleurd oogstreepje. Deze strepen mogen niet te lang zijn en gelijk zijn aan beide zijden van de kop. Het doorlopen van de vetstofkleur boven de bek is natuurlijk niet verantwoord.Bovendien kunnen zich keelstipjes aftekenen, ook weer aan beide zijden van de kop.De kleur zal zuiver geel of rood zijn.

DE SCHOUDERTEKENING:

Duidelijk afgelijnde, niet te grote vlekken, ook aan beide zijden. De kleur is idem aan die van de koptekening, en niet doorlopend in de vleugelpennen. Eigenlijk is het niet veroorloofd dat er vetstofkleur in de pennen aanwezig is. De crèmeachtige kleur (zoals beschreven in type II) is ook hier toegelaten bij de rode mozaïekkanaries.

DE BORSTTEKENING:

Deze borstvlek is goed doorgekleurd en middelmatig groot. (Niet te groot en ook niet te klein)

Niet doorlopend naar de keel of flanken en poten.

DE STUITTEKENING:

Het stuitkussen moet voorzien zijn van een goed afgelijnde en gekleurde tekening. (stuittekening)De kleur ook weer idem aan die van de kop- en schoudertekening. Niet doorlopend naar de staartpennen.

PIGMENTTEKENING:

De pigmentvereisten zullen voldoen aan dezelfde eisen gesteld aan vogels zonder mozaïek -tekening of -kenmerken.Het vereiste kenmerk bij de pigmenttekening is de witte broek. Een zilverachtige kleur beheerst de tekening door het ontbreken van de vetstofkleur. Zoals reeds eerder beschreven als "zilverachtige sluier"

BESCHRIJVING TYPE II (MAN)

DE KOPTEKENING:

Deze bestaat uit een scherp afgelijnd en goed doorgekleurd masker, dat zich rond de snavel en ogen bevindt. De twee ogen liggen juist in het masker.

Maskerbeschrijving: De grenslijnen lopen zo recht mogelijk van de ene ooghoek naar de andere, de afstand der lijnen tot aan de snavel is gelijk en bovendien gelijk aan de afstand van snavel naar ogen. De kleur zal zuiver diepgeel of rood zijn.

DE SCHOUDERTEKENING:

Scherp en duidelijk afgelijnde schoudervlekken die aan beide zijden gelijk zijn, en vooral niet te groot. De kleur van deze schoudervlekken is idem aan die van de koptekening. Zoals ik reeds eerder beschreven heb mag deze tekening niet in de vleugelpennen doorlopen.Geen vetstofkleur is vereist. Daardoor is er een zeer lichte (zwakke) kleurschakering in de vleugelpennen toegestaan. (Deze kleur, wordt nestkleur genoemd.) Deze crèmeachtige kleur komt alleen voor bij rode mozaïekvogels,

DE BORSTTEKENING:

Doorschijnend goed doorgekleurd. Duidelijk afgescheiden van masker en flanken.

DE STUITTEKENING:

Het stuitkussen (of rugeinde) is afgedekt door de vleugelpennen. De kleur van deze stuittekening zal ook weer idem zijn als kop- en schoudertekening, en zeker niet in de staartpennen doorlopen.

PIGMENTTEKENING:

Zoals ik reeds eerder beschreven heb, zullen de pigmentvereisten voldoen aan dezelfde eisen gesteld aan vogels zonder mozaïektekening of kenmerken.

Het vereiste kenmerk bij de pigmenttekening is de witte broek.

Een zilverachtige kleur beheerst de tekening door het ontbreken van de vetstofkleur.Reeds eerder beschreven als “zilversluier".

DE KWEEK:

Zoals ik al eerder opmerkte is die de laatste jaren geweldig toegenomen. Een eerste vereiste is voor het fokken van mozaïeken: het kweken in stamverband. Met andere woorden, de fokparen samenstellen in familieverband.

B.V. Vader x dochter

Moeder x zoon

Halfbroer x halfzus

Uiteraard hoort hier een uitstekende administratie of kweekboek bij.

Een paring van b.v. een:

Mozaïekman x zalmpop geeft aan de helft van de zonen en dochters de mozaïekfactor. Dus behalve zalmmannen en poppen, ook enkel mozaïekfactorige mannen en mozaïekpoppen.Uiteraard zullen beide fokparen redelijke mozaïeken opleveren, maar het uiterlijk zal bestaan uit mozaïektypen. Van een scherp gemaskerde mozaïekpatroon zal geen sprake zijn, de witte veervelden (de vereisten van de mozaïek) zal doorlopend zijn met de vetstofkleur. Daardoor vloeit de mozaïektekening te veel ineen.Het selecteren moet zeer overwegend gebeuren, het is nooit aan te bevelen twee zeer witte vogels aan elkaar te koppelen. Men moet er de voorkeur aan geven een zeer witte man te paren aan een pop welke veel lipochroomkleur (vetstof) laat zien en vooral een korte bevedering heeft, en zelfs, indien de keuze het toelaat, een weinig vetstofkleur boven de snavel.De intensieffactor zal men moeten weren indien mogelijk. Wanneer de bevedering te lang wordt, kan men het proberen met een intensieve vogel er in te kweken. Maar beter is het om hem niet te gebruiken. Verder dient men rekening te houden met de kweek dat de mozaïekfactor recessief en geslachtsgebonden vererft.

 

ENKELE KOPPELINGSMOGELIJKHEDEN:

a/ Mozaïek x mozaïek = 100% mozaïek

b/ Niet mozaïek x mozaïek = 50% split-mozaïek (mannen)

= 50% niet-mozaïek (poppen)

c/ Mozaïek x niet-mozaïek = 50% split-mozaïek (mannen)

= 50% mozaïek (poppen)

d/ Split-mozaïek x mozaïek = 25% split-mozaïek (mannen)

=: 25% mozaïek (mannen)

= 25% mozaïek (poppen)

= 25% niet-mozaïek (poppen)

e/ Split mozaïek x niet-mozaïek = 25% niet-mozaïek (mannen)

= 25% split-mozaïek (mannen)

= 25% niet-mozaïek (poppen)

= 25% mozaïek

HET OPVOEREN VAN DE ROODFACTORIGE MOZAÏEKEN:

Op de eerste plaats moet bij de mozaïeken tijdens de nestperiode geen kleurversterkend middel gegeven worden. De kans om een goede mozaïek is dan al verkeken. De vleugel- en staartpennen zullen dan mooi doorgekleurd worden, en dat is foutief!

MEN MOET BIJ DE MOZAÏKEN KLEURMIDDELEN BEGINNEN OPVOEREN WANNEER DE VOGELS ONGEVEER ZES WEKEN OUD ZIJN!

Dan zal het kleurcontrast het mooiste uitkomen. De hoeveelheid kleurstof moet hetzelfde zijn als het opvoeren van andere roodfactorige kanarievogels, nooit minder geven aan de mozaïek! Zulke vogels zijn zo te herkennen aan de oranje onderbevedering. (Foutief)

SUCSES MET DE MOZAIKEN

21:46 Gepost door EDDY F in DE KWEEK MOZAIEK KANARIES | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.